Wat gebeurde er in het Bio-Vacantieoord?

Nog maar half zeven. De wekker gaat af. Een zilverkleurig wekker die opgewonden moest worden. Eén veer voor het uurwerk en één voor het weksysteem. Het laatste bestond uit twee bellen boven de klok gemonteerd. In het midden stak een tweezijdig hamertje uit de klok tussen de twee bellen. Als de ingestelde wektijd bereikt was ranselde het hamertje ongenadig de twee bellen. Het gaf een hels kabaal. Met een schuifje zette ik de wekker uit zo snel als ik kon zodat mijn mede gezinsleden door konden slapen.

Vlug eruit, aankleden, gezicht wassen met koud water. Haren nat maken en een kam er door halen. Keurige scheiding aan de zijkant en een kuif gemodelleerd zoals toen gebruikelijk was. Tandenpoetsen en ontbijt overgeslagen omdat ik nog naar de heilige mis moest om onder andere nuchter de hostie in ontvangst te nemen.

En kwartier later stond ik buiten in de vroege en nog kille ochtend. Op de te grote fiets met klossen op de pedalen naar het retraitehuis aan de Loudelsweg. Om zeven uur moest ik daar aanwezig zijn om met een pater van het retraitehuis of een kapelaan van de parochie St. Petrus en Paulus en met Maarten Min, mede misdienaar, met de auto te vertrekken naar Bergen aan Zee.

Elke zondag was het weer spannend welke kapelaan of pater zou opdagen om met ons misdienaars naar de kust af te reizen. Wij hadden zo onze favoriete chauffeur en celebrant. Hoe vroeg het ook was, ik genoot elke keer weer van deze route over de misschien wel mooiste weg van het land.

We reden de Zeeweg niet helemaal af tot aan de boulevard. Vlak voor het dorp sloegen we tweemaal rechtsaf om via een kronkelend pad naar het Russenduin, het hoogste duin van de omgeving, te rijden. Op de top van dit duin was het Bio-Vacantieoord gebouwd. 

Op 21 maart 1927 werd de Stichting Bio-Vacantieoord opgericht, “voor alle gezindten”, door de toenmalige Nederlandse Bioscoopbond. Dit gebeurde op initiatief van bioscoopexploitant Abraham Tuschinski en diens zwager Gerschtanowitz.

In de jaren 20 van de vorige eeuw kwamen steeds vaker goede doelen bij de bioscoop met de vraag of ze voor de deur mochten collecteren. Omdat het als onmogelijk werd ervaren om te bepalen welk goed doel wel en welk goed doel niet kon collecteren werd een eigen stichting in het leven geroepen.

Het doel was het opzetten van een vakantieoord voor kinderen wier ouders het niet zo breed hadden, de zogenaamde bleekneusjes. Deze bleekneusjes kregen vaak het doktersadvies om aan te sterken aan zee. (bron Google)

Featured image

De katholieke bleekneusjes moesten in die tijd verplicht elke week de heilige mis bijwonen. Zij kwamen eerst met de bus naar de parochiekerk in Bergen waar zij een zijbeuk aan de mannenkant vulden. Het was een heel gedoe. Er werd besloten de heilige mis voortaan in het vakantieoord zelf te vieren. Zodoende gingen wij gedurende een bepaalde periode westwaarts om de verbleekte jonggelovigen de heilige mis te brengen.

Na de mis werd er ontbeten. Wij, de misdienaars, schoven aan bij de bleekneusjes in de eetzaal. Altijd een gekookt ei erbij. De zware geur van de gekookte eieren is me altijd bijgebleven.

Featured image

Na het ontbijt konden Maarten en ik onze eigen gang gaan tot de pater of kapelaan ook klaar was met zijn ontbijt. De geestelijke van dienst ontbeet na de eucharistieviering met de directrice van het Bio-Vacantieoord in haar privévertrekken. Voor ons was het altijd een verrassing hoe lang het zou duren om weer te vertrekken. Wij vermaakten ons wel, binnen of buiten het karakteristieke gebouw. De uitzichttoren was favoriet bij ons. Een prachtig uitzicht door de duinen op de horizon van de Noordzee.

Het viel ons op dat onze wachttijden bij een bepaalde geestelijke langer duurden dan bij de anderen. Velen jaren later vernam ik dat deze geestelijke zijn celibataire staat had ingeruild voor de huwelijkse staat. En jawel, zijn bruid was de directrice van het Bio-Vacantieoord.

Het kan verkeren. Ook tussen geestelijken en directrices van bleekneusjes.

Room of pudding?

tompouce

Regelmatig heb ik mijn familie ervan moeten overtuigen dat tompouces gevuld worden met banketbakkersroom en niet met pudding. Pudding hoe verzinnen het! Hiermee probeerden mijn oudere broers mij op de kast te jagen. Voor de eerste keer werd ik hierdoor in mijn beroepseer aangetast.

Ik moest hier de afgelopen week aan denken toen Vroom & Dreesmann het landelijke nieuws domineerde. Mijn banden met dit warenhuis stammen uit de jaren zestig. Toen ik net zestien jaar was geworden ben ik bij Vroom & Dreesmann in dienst getreden als keukenhulpje. Het was mijn eerste baan met een echt loon.

Ik werd het hulpje van de ovenist. Hij zorgde dat alles gebakken werd. Koekjes in alle soorten en maten, cakes enzovoort. Ik moest de bakplaten schoonmaken en invetten. Ik kreeg ook de ondankbare taak om pannen en alle andere keukengereedschappen schoon te maken. Ik moest ook de lege flessen uit de lunchroom sorteren en opruimen. Later werden mijn taken uitgebreid. Slagroom kloppen en de spuitzakken daarmee vullen, softijs bereiden, vruchtencakes opmaken en de tompouces glaceren.

Ik herinner me vooral de wonderlijke bemensing van de keuken- en bakkersbrigade van zo’n twintig man. Als jongste bediende werd ik door hen natuurlijk geplaagd. Dat begon al in het omkleedlokaal waar mijn kleren werden verstopt. De ovenist, met de toepasselijke naam mijnheer Bakker, woonde bij mij in het dorp. Samen met hem fietste ik heen en terug naar de personeelsingang aan de Ridderstraat in Alkmaar. Hij voorzag mij tijdens die fietstochten van wijze raad en deelde met mij zijn ongenoegen over het gedrag van de andere brigadeleden.

Zo was daar Henk. Een simpele ziel die de hele dag uit volle borst de nummers van o.a. de Bee Gees zong. Of Gerard, die het achter zijn ellebogen had volgens mijnheer Bakker. Gerard werd later makelaar, dus dat zal wel geklopt hebben.

Ik herinner me ook Eddy. Eddy was net zo oud als ik. Hij stond hoger op de ladder omdat hij nog één dag in de week op de bakkersopleiding van de ambachtsschool zat. Tijdens een personeelsuitje hebben wij samen onze eerste dancing bezocht. Extase, de beruchte uitgaansgelegenheid aan de Bergerweg. Zijn moeder zwaaide de scepter in de afwaskeuken. In de zomerperiode werd zij geassisteerd door vakantiekrachten, meisjes van onze leeftijd. Zowel de meisjes als Eddy en ikzelf werden door de ouderen uitgedaagd om afspraakjes met elkaar te maken. Heel vervelend.

En dan was daar ook Henry. Met Henry had ik in het begin nauwelijks contact. Ik vond hem nogal hooghartig tegenover alle anderen en mijzelf. Hij had een bloedmooie vriendin, die ik hem door zijn gedrag eigenlijk misgunde. Later leerde ik hem beter kennen toen ik hem moest assisteren met het kerstgebak. Hij voorspelde me dat dit baantje me niet lang zou blijven boeien. Hij kreeg gelijk.

Maar mijn held was Peter. Hij had een eigen werkbank waar hij het korstdeeg maakte. Peter was een man van weinig woorden. Zwart achterover gekamd haar, strak in de brillantine en een dun Clark Gable snorretje. Zijn uiterlijk sprak meer dan hijzelf. Maar wat een vakman. Mijn voorliefde voor de tompouces is nooit meer overgegaan, mede dankzij Peter. Het lekkerste onderdeel vond ik de vulling, de banketbakkersroom.

Banketbakkersroom, crème pâtissière, vanillebanketbakkersroom of gele room is een gele vla-achtige room. Eclairs, Berlijnse bollen, tompouces, soezen, al deze bakkerijproducten zijn traditioneel opgevuld met banketbakkersroom. De bestanddelen van deze room zijn: melk (of room), eigeel, suiker en maïzena (of custardpoeder). Het is een bereiding die lijkt op vanillepudding, maar er worden meer eieren in verwerkt.

Hiermee heb ik de discussie met mijn eigenwijze broers in mijn voordeel beslecht. Het lijkt weliswaar op vanillepudding, maar ik herhaal, er worden meer eieren in verwerkt. Gelukkig voor mijn familie die elke week vele kisten met eieren leverde.

VenD

De toekomst van Vroom & Dreesmann zie ik somber in. Mijn laatste werkgever ING beslist, als betrokken financier, mee over het lot van de warenhuizen. Mijn eerste werkgever zal de verliezer zijn in deze overlevingsstrijd.

Gelukkig worden er bij de goede bakkers nog tompouces met echte banketbakkersroom gebakken.

Niet klagen maar dragen!

Featured image

Dit is een tegeltjeswijsheid uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. Bij ons thuis hing een dergelijk Delfts blauw tegeltje aan de muur van de mooie kamer, waar wij alleen in het weekend verbleven. De boodschap was voor ieder van ons gezin duidelijk. Ik heb me wel eens afgevraagd of het bordje speciaal voor mijn moeder was aangeschaft. Geen rare gedachte. Ze heeft namelijk tien zwangerschappen gehad, waarvan negen voldragen. Een kind dragen zonder te klagen dat was de wens van de vader van de verwachte kinderen en van deze gedachte.

Het kan ook zijn dat mijnheer pastoor het ter aanmoediging aan ons heeft geschonken. Dit is bij nader inzien niet zo waarschijnlijk omdat de kerk toen al beter was in het ontvangen dan in het geven. Zo vond mijnheer pastoor het heel gewoon om tijdens etenstijd bij ons en bij veel andere gezinnen in ons mooie dorp op huisbezoek te komen. Hij at dan niet alleen een bordje mee, wat hem een maaltijd uitspaarde, maar hij kwam ook even polshoogte nemen of er al een nieuw katholiek zieltje in aantocht was. De wereld moest immers in de ogen van Heilige Stoel gekatholiceerd worden. Er werden grove middelen ingezet om deze beoogde overheersing te bereiken.

De druk uit de kerk ontnam onze ouders hun eigen beschikkingsrecht om hun gezin samen te stellen zoals ze dat zelf wilden. Veelvuldig werd angst als pressiemiddel gebruikt. Als je het woord van de kerk veronachtzaamde dan kwam je niet in de hemel. Je kon het woord van mijnheer pastoor niet naast je neer leggen. Deed je dit wel dan zouden hel en verdoemenis je deel worden.

Featured image

Het ging zo ver dat in veel katholieke kerken een heuse Mariakapel was ingericht. Zo ook in onze parochiekerk St.Petrus en Paulus te Bergen. Hier konden de alleenstaande maagden tot Maria bidden voor een geschikte partner (lees een toekomstige verwekker en vader). Samen met deze partner kon de maagd dan eindelijk voor de door mijnheer pastoor zo vurig gewenste kinderen zorgen. Ook vrouwen die niet zwanger werden konden zich tot Maria richten om vruchtbaarheid af te smeken. De vrouwen die pas zwanger waren geworden werden door mijnheer pastoor naar het Maria altaar gezonden om te bidden voor een succesvolle zwangerschap. Het zou mij niet verbazen als er een onderlinge competitie gaande was welke parochie de grootste aanwas realiseerde. Met een doos miswijn als bonus?

Als ik aan die tijd terugdenk ruik ik de 4711, de eau de cologne van Boldoot, gemaakt aan de Amsterdamse Haarlemmerweg. Boldoot was een zeer katholiek familiebedrijf. Het Keulse water van deze vrome familie zou goed zijn tegen hoofdpijn. Vrouwen gebruiken door de eeuwen heen hoofdpijnklachten om de echtelijke en pastoorlijke plicht uit te stellen. Een zakdoekje besprenkeld met 4711 tegen het voorhoofd aangedrukt was het subtiele teken dat o.a. mijnheer pastoor voorlopig niet aan zijn trekken zou komen.

Featured image

De vrouwen van toen hadden het veel lastiger en moeilijker dan het ongetwijfeld hardwerkende manvolk. Mijn moeder, onze moeder voor mijn talrijke meelezende broers en zussen, was hier geen uitzondering op. Met dien verstande dat zij wel een aantal privileges had bedongen. Ze beviel in Rosmade, een katholieke kraamkliniek waar ze ook aanvullend tien dagen weer op sterkte kon komen. Er was een inwonende huishoudelijke hulp en ze deed elke middag een dutje. Deze privileges waren geen overbodige luxe. Ze had het nodig om de consequenties van het “rijke roomse leven” te verdragen en te overleven. En dat is uiteindelijk gelukt. Vorig jaar is ze op 97 jarige leeftijd overleden.

De Bergense oliebollen van 1962

Featured image

De winter van 1962-1963 was de koudste van de afgelopen eeuw. We moeten zelfs terug naar de winter van 1829-1830 om een nog koudere tegen te komen. De winter van 1962-1963 kenmerkte zich door een extreem lange koude periode van 10 weken en begon op 22 december en duurde tot en met 3 maart. Ook daarvoor was het al koud geweest. Van 21 tot 23 november en in de eerste week van december had het goed gevroren. 

Mijn herinneringen aan deze koude periode beginnen half december. Door de verkennersgroep St. Lambertus, waar ik lid van was, werd ik met de andere groepsleden op pad gestuurd om van deur tot deur oliebollen te verkopen om de kas te spekken. Wij waren zelf het goede doel deze keer. 

Wij belden aan om de bestellingen op te nemen die wij dan op oudejaarsdag uit zouden leveren en afrekenen. Als ik toen van te voren geweten had wat mij op de dag van uitlevering te wachten zou staan, dan had ik me wel tweemaal bedacht. Ik had het mezelf weer eens moeilijk gemaakt om de westrand van het dorp te kiezen als mijn afzetgebied. Lange lanen met ver uit elkaar gelegen huizen. 

De hopman van de groep, beslist geen gekke gerritje, had prijzen in het vooruitzicht gesteld voor de beste verkopers. Van huis uit had ik meegekregen dat je voor alles wat je deed meer je best moest doen dan anderen om te slagen in het leven. Mijn ouders beoordeelden hun kinderen op hun bijdrage aan het geheel. Of het nu huiselijke klusjes waren of ons werk in de winkel, de kerk, de vereniging of in welk ander verband dan ook waar hun kinderen actief werden ingezet. 

Of je wilde of niet, je kon maar beter meer doen van wat er van je verlangd werd. En dat deed ik dan ook. Met mijn aantal bij elkaar gesprokkelde bestellingen behoorde ik tot de besten van de groep. Daar was ik best wel trots op. Tot de oudejaarsdag dat ik de bestelde oliebollen moest rondbrengen. 

Het was, net als de voorafgaande dagen, bitterkoud die maandag de laatste dag van 1962. Het vroor de hele dag. Er waaide een straffe oostenwind met venijnige windstoten. De gevoelstemperatuur was min 10 graden Celsius. De zon liet zich niet zien wat het er die dag niet beter op maakte. IJspegels aan de bomen en de goten maar de schoonheid van dit wintertafereel was niet aan mij besteed. Er lag al dagen verijst sneeuw waardoor het nauwelijks mogelijk was om te fietsen. De slee was daarom die dag mijn vervoermiddel om de oliebolbestellingen rond te brengen. Ik had mijn pyjamabroek onder mijn broek aangetrokken om de kou te weren. Rubber laarzen aan de voeten om niet uit te glijden met een paar extra sokken aan, zo moest ik er tegen kunnen. 

De oliebollen werden door de oudere jongens van de groep gebakken in de keuken van het Parkhotel van de familie Woudstra, op de hoek van de Breelaan en de Stationsweg. Er stonden grote pannen vet op het vuur waar het beslag met twee lepels in werd gedompeld. De ingrediënten zoals, bloem, eieren, gist, krenten, rozijnen, zout, en melk waren door de leiding van de verkenners bij de plaatselijke middenstand bij elkaar geschooid. Dat wij hiermee de plaatselijke bakkers oneerlijke concurrentie aandelen beste ik pas veel later. 

Het was goed toeven in de keuken. Het was er heerlijk warm en er was een gezellige sfeer onder elkaar. Regelmatig moest ik naar de keuken terugkeren om mijn voorraad van verse bollen gefrituurd gistdeeg weer aan te vullen. Op die momenten kon de kou in mijn 12 jarige lijf weer even verdwijnen. 

Mijn laatste levering, het was al donker en nog kouder dan overdag, was op de Eeuwigelaan. Ik was bekaf en liep op mijn laatste benen. Op één van de adressen werd ik binnen gevraagd om de bestelling af te rekenen. Ik kende het echtpaar omdat ik daar ook wel boodschappen afleverde uit onze kruidenierswinkel. Toen zij zagen hoe ik er aan toe was boden zij mij een warme kop thee aan. Op de terugweg, vlak bij de Kattenberg, ging ik uitgeput op mijn slee zitten. Ik heb gejankt van ellende. Maar ook van opluchting dat het volbracht was.  

Enkele weken later, 18 januari 1963 om precies te zijn, won Reinier Paping de twaalfde Elfstedentocht. Afzien en uitputting waren ook hier de sleutelwoorden van een helse tocht onder de meest extreme weersomstandigheden. Brrrr. 

Ik wens iedereen een mooie jaarwisseling.

 

2014 herzien

De statistieken hulpaapjes van WordPress.com heeft een 2014 jaarlijks rapport voor deze blog voorbereid.

Hier is een fragment:

In een New York City metro-trein passen 1.200 mensen. Deze blog werd in 2014 ongeveer 6.200 keer bekeken. Als je blog een NYC metro-trein zou zijn, zou die ongeveer 5 reizen nodig hebben voordat die zoveel mensen zou kunnen vervoeren.

Klik hier om het complete rapport te bekijken.

Gastschrijver Peter Louter

Mooi verhaal van mijn broer Peter die mij aangemoedigd heeft dit blog te beginnen. Veel leesplezier.

 

overtreding

 

WK-Voetbal kijken in Polen.

Aan mij is geen groot voetballer verloren gegaan. Ik heb het van huis uit niet meegekregen. Voetballen viel onder de categorie ijdel vermaak en ledigheid. Beide moesten tot het uiterste vermeden worden want er waren met een groot winkelbedrijf aan huis altijd wel nuttige dingen die gedaan moesten worden of konden worden gedaan.

Toch heb ik wel eens gevoetbald. Bij het kiezen van elftallen was ik meestal de negende of tiende die uitverkoren werd en de vernedering van de reservebank bespaard werd. Leuk vond ik dat voetballen nooit. Je deed het nooit goed en stond voortdurend bloot aan kritiek en gescheld van degenen die vonden dat ze goed konden voetballen. Zodra een bal mijn kant op kwam speelde ik hem zo snel mogelijk door naar een ander. Daarmee liep ik vooruit op het moderne voetbal, want op de televisie zie ik ze de laatste tijd nauwelijks iets anders doen. Het lukte me daarbij tot ontsteltenis van mijn medespelers lang niet altijd om iemand van het eigen elftal aan te spelen. In het moderne voetbal is dat ook al geen schande. Op televisie zie ik tegenwoordig dat het ook grote spelers lang niet altijd lukt. Zo slecht kon ik dus niet geweest zijn.

Hoewel ik deze keer alle wedstrijden in Brazilië gezien heb, kijk ik eigenlijk maar zelden naar voetbal op televisie. Van een wedstrijd van negentig minuten is meestal niet meer dan tien minuten leuk of interessant en de overige tachtig minuten zit je daar dus op te wachten. In die tijd kun je iets leukers doen en de leuke of interessante dingen zie je dan wel in de herhaling of lees je de volgende morgen in de krant.

Twee van mijn broers hebben wel het voetbalvirus opgelopen. Hoewel ik betwijfel of ze ooit hebben gevoetbald, presenteren ze zich als kenner en moet ik eigenlijk mijn mond houden als we samen kijken. De een is voor Ajax en de ander voor Feyenoord en hun verbale duels, waarin alle regels omtrent wellevendheid terzijde worden geschoven, zijn vermaard. Als ze net zo goed konden voetballen als elkaar verbaal onderuit halen, zouden ze het nog wel eens tot het eerste elftal kunnen hebben gebracht. Die van Feyenoord heeft een schoonzoon die van Ajax is. Soms zit het knap tegen in het leven, maar hij draagt het moedig.

In het echt is het al niet anders. Voetballen is niet leuk als je niet wint en om te winnen moet je gemeen kunnen zijn. Als meelevend kijker heb ik me bij de meeste wedstrijden kapot geërgerd aan de hardheid, vooral van de Zuid-Amerikaanse voetballers. Voetballen betekent bij hen niets meer of minder dan de bal veroveren om er nuttige dingen mee te doen. Ze hebben heel wat methoden om de bal te veroveren en ze komen er allemaal op neer dat je de man die de bal heeft moet uitschakelen. In een bescheiden inventarisatie noteerde ik vasthouden, uit balans brengen, onderuit schoffelen, blokkeren, sandwichen, wegduwen, bijten, op de voet van de tegenstander gaan staan, een vrije schop uitlokken of het springen beletten. Eigenlijk ongeveer hetzelfde als mijn twee broers doen als ze elkaar verbaal te lijf gaan.

Ik heb nu eindelijk ook begrepen waarom ze een scheidsrechter ‘scheidsrechter’ noemen. Het is zijn taak, zo is mij gebleken om te voorkomen dat voetballers elkaar te lijf gaan na onderlinge gemenigheden. Hij ‘scheidt’ de partijen als dat nodig is. Degene die gemeen blijft kijken geeft hij een vrije schop tegen en als ze heel erg gemeen blijven kijken een gele kaart. Het is zijn taak om te voorkomen dat de wedstrijd niet ontaard in rugby of een collectieve matpartij waarbij de bal niet in het spel is. In het post-Cruijffiaanse tijdperk hoor je beide armen te heffen na een gemenigheid om de scheidsrechter te laten weten dat je niets gemeens hebt gedaan.

jc

De ellende in het voetbal is wat mij, als niet-kenner, betreft, begonnen met Johan Cruijff. De Nederlandse elftallen waarin hij stond opgesteld behoorden tot de gemeenste in mijn geheugen. Michels praatte dat goed en noemde voetbal ‘oorlog’. Cruijff was als voetballer een ras-opportunist en zo egocentrisch als de pest. De voor mij beruchte ‘Hollandse methode’ betekende niets anders dat de andere spelers in dienst stonden van Cruijff en geen andere taak hadden dan van anderen ballen af te pakken, vast te houden en naar hem af te spelen zodat hij er mooie dingen mee kon doen. Daar liet hij zich bovendien geweldig voor betalen. Het was het begin van nog veel meer ellende want de aanpak van Cruijff werd een managementmethode en we weten allemaal hoe dat heeft uitgepakt. Sinds Cruijff zijn de inkomens van managers geëxplodeerd.

Ik heb alle wedstrijden van het wereldkampioenschap gezien. Ik moest wel. Iedere morgen als Nederland had gewonnen kwamen de buren langs om ons te feliciteren en verwachtten van mij als inwoner van het land van Cruijff haarscherpe analyses over de wijze waarop andere nationale elftallen armoedig afstaken tegen het Hollandse elftal. Dat ging me redelijk af, want ik heb natuurlijk zo een en ander van mijn broers opgestoken. Sinds zondag kijken ze me verwijtend aan. Dat uitgerekend de Duitsers kampioen zijn geworden leidde in Polen tot groot nationaal verdriet. Om de Polen gelukkig te maken hadden de Hollanders de Duitsers in de finale een pak op hun donder moeten geven. Dat het niet gebeurd is, is volgens mij te wijten aan het feit dat ze iets netter speelden dan Cruijff ooit bedoeld heeft. Ik mag dan geen voetbalkenner zijn, ik weet heus wel wat je moet doen om te winnen.

 

Evert

Evert was de man die een vergadering met zo’n 50 deelnemers onder schot hield.

Ik leerde Evert kennen midden tachtiger jaren. Hij was juwelier. Hij had halverwege de jaren zeventig zijn winkel verplaatst vanuit de Haarlemse binnenstad naar de nieuwe stadswijk Schalkwijk. Het hart van de wijk wordt gevormd door een groot winkelcentrum.

Het bleek een goede zet te zijn geweest. De zaak floreerde en Evert verdiende een goede boterham. Maar Evert had meer energie en ambitie dan de juweliersrol van hem vergde.

De belangen van het winkelcentrum werden behartigd door een Coöperatieve Vereniging van Eigenaren en door een winkeliersvereniging. Dat vond Evert interessant. Hij had een mening over de ontwikkeling van het centrum. En hij kon zijn mening prima verwoorden. Het duurde niet lang of Evert zat in beide besturen.

De meeste ondernemers die bestuursfuncties aannemen doen dit uit eigenbelang. Dat zal voor Evert in aanvang ook wel een beetje gegolden hebben. Maar al snel werd zijn mening en aanpak van de problemen als onbevooroordeeld gewaardeerd. Je kan er op wachten, zo’n man is een ideale voorzitter.

In die hoedanigheid vroeg hij mij toe te treden tot het bestuur van de winkeliersvereniging. Ik leidde in die tijd de NMB vestiging in het winkelcentrum en ik had ook Evert als klant. Hij kwam een keer bij mij langs op kantoor en vroeg mij of ik penningmeester van de winkeliersvereniging wilde worden. “En als je het niet doet, dan vraag ik je collega van de ABN”, zei hij met een twinkeling in zijn ogen. Nou ja, daar kon ik geen nee tegen zeggen.

Ik vond Evert vanaf het begin dat ik hem leerde kennen een geschikte vent. Een beetje ouderwets in zijn doen en laten maar vooruitstrevend en doelgericht in zijn denken.

Toen het winkelcentrum overdekt en uitgebreid zou worden leerde ik hem heel goed kennen. De gemeente moest daar zijn toestemming voor geven en dat was niet eenvoudig. Het linkse stadsbestuur, toen nog wel, stond niet meteen te juichen. Samen met Evert bezocht ik de vergaderingen van alle politieke raadsfracties.

Ook daar werd het de raadsleden al snel  duidelijk dat het belang wat Evert diende verder strekte dan alleen het zijne. Nadat de gemeente groen licht had gegeven moesten de leden van de Coöperatieve Vereniging van Eigenaren het uiteindelijke jawoord geven. Dat gebeurde tijdens de vergadering waar ik dit verhaal mee begon.

Toen het agendapunt over dit besluit aan de orde kwam, rommelde Evert even onder zijn bestuurstafel en toonde hij een watergeweer van ruim een meter en richtte die op de leden. Hij sprak toen de woorden “wie durft er nu nog nee te zeggen“. Niemand natuurlijk. Het geweer kon weer terug naar de speelgoedwinkel.

Evert heeft helaas niet lang van het verruimde en overdekte winkelcentrum kunnen genieten. Kort na de opening overleed hij aan kanker. De wethouder heeft hem op zijn ziekbed nog de erepenning van de stad uitgereikt. En als grootste eerbetoon is het voorplein van het winkelcentrum naar hem vernoemd.

Evert, een man om nooit te vergeten.

EHPlein

 

Dit is het laatste verhaal voor de zomerstop. Iedereen een mooie vakantie.