Room of pudding?

tompouce

Regelmatig heb ik mijn familie ervan moeten overtuigen dat tompouces gevuld worden met banketbakkersroom en niet met pudding. Pudding hoe verzinnen het! Hiermee probeerden mijn oudere broers mij op de kast te jagen. Voor de eerste keer werd ik hierdoor in mijn beroepseer aangetast.

Ik moest hier de afgelopen week aan denken toen Vroom & Dreesmann het landelijke nieuws domineerde. Mijn banden met dit warenhuis stammen uit de jaren zestig. Toen ik net zestien jaar was geworden ben ik bij Vroom & Dreesmann in dienst getreden als keukenhulpje. Het was mijn eerste baan met een echt loon.

Ik werd het hulpje van de ovenist. Hij zorgde dat alles gebakken werd. Koekjes in alle soorten en maten, cakes enzovoort. Ik moest de bakplaten schoonmaken en invetten. Ik kreeg ook de ondankbare taak om pannen en alle andere keukengereedschappen schoon te maken. Ik moest ook de lege flessen uit de lunchroom sorteren en opruimen. Later werden mijn taken uitgebreid. Slagroom kloppen en de spuitzakken daarmee vullen, softijs bereiden, vruchtencakes opmaken en de tompouces glaceren.

Ik herinner me vooral de wonderlijke bemensing van de keuken- en bakkersbrigade van zo’n twintig man. Als jongste bediende werd ik door hen natuurlijk geplaagd. Dat begon al in het omkleedlokaal waar mijn kleren werden verstopt. De ovenist, met de toepasselijke naam mijnheer Bakker, woonde bij mij in het dorp. Samen met hem fietste ik heen en terug naar de personeelsingang aan de Ridderstraat in Alkmaar. Hij voorzag mij tijdens die fietstochten van wijze raad en deelde met mij zijn ongenoegen over het gedrag van de andere brigadeleden.

Zo was daar Henk. Een simpele ziel die de hele dag uit volle borst de nummers van o.a. de Bee Gees zong. Of Gerard, die het achter zijn ellebogen had volgens mijnheer Bakker. Gerard werd later makelaar, dus dat zal wel geklopt hebben.

Ik herinner me ook Eddy. Eddy was net zo oud als ik. Hij stond hoger op de ladder omdat hij nog één dag in de week op de bakkersopleiding van de ambachtsschool zat. Tijdens een personeelsuitje hebben wij samen onze eerste dancing bezocht. Extase, de beruchte uitgaansgelegenheid aan de Bergerweg. Zijn moeder zwaaide de scepter in de afwaskeuken. In de zomerperiode werd zij geassisteerd door vakantiekrachten, meisjes van onze leeftijd. Zowel de meisjes als Eddy en ikzelf werden door de ouderen uitgedaagd om afspraakjes met elkaar te maken. Heel vervelend.

En dan was daar ook Henry. Met Henry had ik in het begin nauwelijks contact. Ik vond hem nogal hooghartig tegenover alle anderen en mijzelf. Hij had een bloedmooie vriendin, die ik hem door zijn gedrag eigenlijk misgunde. Later leerde ik hem beter kennen toen ik hem moest assisteren met het kerstgebak. Hij voorspelde me dat dit baantje me niet lang zou blijven boeien. Hij kreeg gelijk.

Maar mijn held was Peter. Hij had een eigen werkbank waar hij het korstdeeg maakte. Peter was een man van weinig woorden. Zwart achterover gekamd haar, strak in de brillantine en een dun Clark Gable snorretje. Zijn uiterlijk sprak meer dan hijzelf. Maar wat een vakman. Mijn voorliefde voor de tompouces is nooit meer overgegaan, mede dankzij Peter. Het lekkerste onderdeel vond ik de vulling, de banketbakkersroom.

Banketbakkersroom, crème pâtissière, vanillebanketbakkersroom of gele room is een gele vla-achtige room. Eclairs, Berlijnse bollen, tompouces, soezen, al deze bakkerijproducten zijn traditioneel opgevuld met banketbakkersroom. De bestanddelen van deze room zijn: melk (of room), eigeel, suiker en maïzena (of custardpoeder). Het is een bereiding die lijkt op vanillepudding, maar er worden meer eieren in verwerkt.

Hiermee heb ik de discussie met mijn eigenwijze broers in mijn voordeel beslecht. Het lijkt weliswaar op vanillepudding, maar ik herhaal, er worden meer eieren in verwerkt. Gelukkig voor mijn familie die elke week vele kisten met eieren leverde.

VenD

De toekomst van Vroom & Dreesmann zie ik somber in. Mijn laatste werkgever ING beslist, als betrokken financier, mee over het lot van de warenhuizen. Mijn eerste werkgever zal de verliezer zijn in deze overlevingsstrijd.

Gelukkig worden er bij de goede bakkers nog tompouces met echte banketbakkersroom gebakken.

Ome Koos, Feijenoord en gepolitoerd hout

Afbeelding

De buurman uit mijn jeugd noemden wij ome Koos. Hij heeft, zonder dit zelf te weten, een grote invloed op mij gehad.

Ome Koos was getrouwd met tante Nel. Voor hen beiden was het niet hun eerste huwelijk. Qua sociale achtergrond pasten zij niet bij elkaar. Hij was een rondborstige ambachtsman uit Rotterdam. Zij had, volgens mij, een voornamere achtergrond. Zij was absoluut niet onaardig maar wel afstandelijker dan haar wederhelft.

Maar terug naar Ome Koos. Hij werkte bij Vermeulen Orgelbouwers in Alkmaar. Dit bedrijf is begin van deze eeuw definitief overgegaan in Flentrop Orgelbouw.
Ome Koos was houtbewerker. 
Hij was een vakman. Ik kon dit als kind beoordelen omdat de huiskamer van onze buren een pronkkamer was van bewijsstukken van zijn vakmanschap. Het waren donkere, zware, gepolitoerde (diepglanzende) meubelstukken.

Eén van deze meubelstukken was een televisiemeubel. Een bezienswaardigheid op zichzelf. Ik spreek over eind jaren vijftig, begin jaren zestig van de vorige eeuw. De televisie stond nog in de kinderschoenen. In ons mooie dorp waren er nog maar een paar huishoudens met een toestel.
Bij ome Koos en tante Nel keken wij naar dappere Dodo, de verrekijker en naar tante Hannie, die altijd met een kushandje afscheid nam van ons kleine kijkertjes.
Altijd schoenen uit en soms de pyjamaatjes al aan. 

Later keken wij bij ome Koos naar voetbal. En daar komt zijn invloed op mij om de hoek kijken. 
De eerste Nederlandse successen op Europees voetbalniveau werden door Feyenoord geboekt. “Faajenoord” voor ome Koos als rasechte Rotterdammer. 
Met ome Koos samen heb ik één van de meest spraakmakende televisiebeelden met de voetballegende Coen Moulijn in een hoofdrol gezien.
De wedstrijd werd in september 1965 uitgezonden. In dit Europese duel met Real Madrid, dat door de Feyenoorders verrassend met 2-1 werd gewonnen, kreeg Moulijn een flinke schop.

Afbeelding
Het fanatisme van ome Koos, heel ongebruikelijk bij deze rustige man, heeft de liefde voor deze club mij bijgebracht.
Ik ben hem daar achteraf dankbaar voor. Ik hou wel van het adagium “geen woorden maar daden”. Ome Koos, mijn held van de eenvoud en het fanatisme tegelijk.

Het is heerlijk en kost bijna niets.

Image

Al  jong werd ik door mijn vader op de fiets gezet. Niet op een nieuwe fiets maar op de fiets van mijn oudere broer. Op de pedalen waren houten blokken gezet zodat ik er nèt bij kon.  Het ging met vallen en opstaan. In die tijd werd je al snel losgelaten. Er was geen tijd voor een degelijke fietstraining.

Ik herinner me nog een pijnlijke tocht naar het Retraîtehuis, waar ik misdienaar was.  Op de Loudelsweg raakte ik de macht over het stuur kwijt zodat ik met mijn nog niet volgroeide zaakje hard met de stang in aanraking kwam. Zo jong als ik toen was deed het al  veel pijn.

De fiets werd gebruikt om allerlei boodschappen naar de klanten te brengen. Mijn ouders dreven in de heerlijkheid Bergen  een kruidenierswinkel. De boodschappen werden gebracht naar de hotels en pensions en naar de particuliere klanten.  Het was lastig balanceren met een rek eieren in je ene hand en de andere hand aan het stuur. Het is dan ook wel  eens misgegaan.

Maar ik herinner me ook fietsracewedstrijden met vriendjes van de lagere school in het bos. Daar was een ronde kom waar je schuin in kon rijden. Ik kon aardig meekomen,  maar was geen winnaar.

Later reed ik naar de middelbare school in Alkmaar. Heen en terug 10 kilometer in weer en wind.  Als je helemaal nat geregend was, stonk het vreselijk in de klas.

Zes dagen in de week, we hadden toen  nog school  op zaterdag.   Na de middelbare school fietste ik naar mijn werk bij V&D in Alkmaar. Drie maal in de week naar de handelsavondschool  en natuurlijk naar afspraakjes en dansles .

Daarna is de fiets tientallen jaren uit beeld geweest. Druk, druk,  met het opbouwen en onderhouden van een gezin. De auto werd mijn vervoermiddel. Dat kon ook niet anders, alhoewel ik in de vrije weekenden,  ja toen wel,  voor de gezondheid best de fiets had kunnen pakken.

Nu fiets ik wèl  voor het onderhouden van mijn conditie. Ik heb een binnenfiets en een buitenfiets. De laatste met elektrische trapondersteuning. Geen last meer van weer of wind.  Ik hou van mijn fietsen.

Image

‘De fiets is heerlijk en het kost bijna niets’. Tenslotte ben ik een zoon van een kruidenier.